Verplaats de schuifjes voor een groter gebied of een grotere hoeveelheid water (volume) en zie wat er gebeurt.
Welke gevolgen een overstroming heeft, hangt af van:
de hoeveelheid water die het gebied overstroomt,
de grootte van het gebied dat overstroomd wordt,
de diepte van het water dat op het land staat,
hoe lang het water op het land blijft staan,
hoe snel het water stroomt en of er stenen, vuil of brokstukken van huizen meegevoerd worden,
de aanwezigheid van mensen, bedrijven en gebouwen in het overstroomde gebied.
De eerste vijf punten zijn afhankelijk van de hoeveelheid water, de oorzaak van de overstroming en de eigenschappen van het overstroomde gebied. Kijk maar naar dit lijstje voorbeelden en naar de animatie.
Loopt er een dijk over? Dan zal het water langzaam het gebied instromen.
Zit er een gat in de dijk? Dan stroomt het water snel. Als water heel snel stroomt, dan is het heel krachtig en kan het zelfs auto’s meevoeren en huizen verwoesten.
Stroomt de zee het gebied binnen? De hoeveelheid water die binnenstroomt bij vloed is enorm groot. Bij eb is dat veel minder of zelfs niets. Als de storm is gaan liggen, stroomt bij eb het gebied mogelijk weer leeg via het gat. Wat er precies gebeurt, hangt af van het hoogteverschil tussen het zeewater en het land.
Breekt een kade van een kanaal door? Het kanaal stroomt snel leeg, de hoeveelheid water is beperkt.
Is het gebied plat? Dan verspreidt het water zich over een groot oppervlak.
Is er een kom in het landschap? Dan zal het water zich daar verzamelen en op die plek zal het water het diepst worden.